Gods verlangt naar mij

God heeft zoveel liefde voor ons dat Hij Zijn Zoon Jezus naar de aarde heeft gestuurd om te sterven voor onze zonden. Daarom is God het waard om aanbeden te worden. Als ik dat zo lees dan denk ik bij mij zelf, ja dat is waar. Maar het voelt dan alsof God zo ver weg is. Hij is een Grote Machtige God, Die woont in de hemel. Ik krijg dan toch een beetje een beeld van God als van een oude man. Weliswaar als een Vader. Maar wel een strenge Vader. Die Zijn vinger omhoog steekt als je iets verkeerd doet. Toch leert Jezus ons dat God niet ver weg is, maar juist heel dicht bij ons wil zijn. Lees maar in Johannes 17. Vers 23: “Doordat Ik in hen ben en U in Mij bent, zullen zij een volmaakte eenheid zijn.”

Maar dat is nog niet alles. Als je Johannes 17 goed leest bid Jezus voor ons. Dat vind ik zo bijzonder. Hoe ga ik dit zeggen? Het is voor mij zo’n eyeopener om te lezen dat Jezus voor mij bidt. Geloven is geen eenrichtingsverkeer. Bidden is soms zo’n automatisme. “Here zegen mijn eten om Jezus’ wil, Amen.” Hoe vaak heb ik dat gebed gebeden bij het eten. En ook nu leer ik mijn kinderen hetzelfde gebed. Of als het moeilijk is en je God bid om hulp. Als je vragen hebt, maar geen antwoorden krijgt. En dan de kerk. Daar moet je van alles. In de diensten komen, meehelpen met allerlei activiteiten, of in elk geval deelnemen aan de activiteiten. Ik moet van alles. Nee, hoor je dan je moet niks. Als het goed is doe je die dingen uit liefde voor God. Uit dankbaarheid om wat Hij voor jou gedaan heeft. En ja dat doe ik, maar soms voelt dat niet zo. Soms is het gewoon een automatisme, of doe ik wat ik doe omdat ik nu eenmaal heb toegezegd dat ik dat zou doen. En ik hoor het mensen wel eens zeggen, geloven voelt als eenrichtingsverkeer. Er wordt van alles van je verwacht, maar wat krijg je er voor terug?

Ooit tijdens een gebed zei iemand tegen mij dat God tegen haar zei dat Hij geniet van de momenten die Hij met mij heeft. Ik dacht toen oké. Mooi, maar het voelde ook raar. Hoe kan God nou genieten van de momenten die ik met Hem heb. Ik ben maar een mens en Hij is God. Maar vandaag zo tijdens het typen van dit stukje, brengt Hij mij dit weer in herinnering. En nu komt het echt binnen bij mij. God geniet van de momenten die Hij met mij heeft. Geloven is geen eenrichtingsverkeer. Geloven is niet van alles doen uit dankbaarheid. Geloven is een relatie hebben met God en Hij geniet daar net zo van als ik. Niet alleen ik heb het nodig om dicht bij Hem te zijn. Ook Hij vindt het fijn als ik Zijn nabijheid zoek. Daar verlangt Hij net zo naar als ik. Zijn bestaan is net zo verweven met mij als mijn bestaan met Hem. En niet dat ik me daardoor arrogant voel. Zo van ik ben net zo goed als God. Nee. Maar het laat mij wel zien hoeveel God van mij houdt. Dat Hij naar mij verlangt. En als Hij zoveel van mij houdt dat Hij naar mij verlangt, dan ben ik iets waard. Dan ben ik waardevol. Het is gewoon zo geweldig om samen met God te leven. En ik hoop dat jij dat ook zo ervaart.

Het vuur (vervolg op de opdracht)

Ik had een man gered uit een put en onder leiding van de stem naar een oase gebracht. Na een tijd met hem samen in de oase te zijn geweest gaf de stem mij de opdracht om alleen verder te gaan en de man achter te laten. Ik vond het moeilijk om hem alleen achter te laten, maar besloot naar de stem te luisteren en liet de man alleen achter in de oase en ik liep de woestijn weer in.

Na een tijdje zag ik weer een put. De stem vertelde mij er heen te gaan. Ook in deze put zat een persoon. Deze keer wist ik wat ik moest doen en moedigde ik de persoon aan om uit de put te klimmen. Toen ze eruit was bracht ik haar op aanwijzingen van de stem naar een oase. Eerst bleven we samen, maar ook na een aantal dagen gaf de stem mij weer de opdracht om alleen verder te gaan en deze vrouw alleen in de oase achter te laten. Ik vond het nog steeds een raar idee om iemand eerst te helpen en die persoon vervolgens alleen achter te laten in een oase. Maar de stem zei mij telkens dat dat het beste was. Zo liep ik voor mijn gevoel kris kras door de woestijn en kwam ik steeds bij verschillende putten uit waar iemand in zat. Telkens hielp ik de persoon uit de put en leidde de stem mij naar een oase waar ik na een tijdje de persoon uit de put alleen achter liet.

Ook vandaag moest ik weer iemand achter laten. Ik liep een tijdje op aanwijzingen van de stem door de woestijn toen ik plotseling een groot vuur zag. Het was mij niet duidelijk wat er in brand stond maar voor mij was een vuur zo ver als ik kijken kon. Het leek op een bosbrand maar dan in de woestijn. “Kom,” zei de stem. Kom? “Ik ben een mens,” zei ik, “ik kan niet door een vuur gaan lopen, dan verbrand mijn lichaam en ga ik dood.” “Kom,” zei de stem nogmaals. Ik twijfelde hoe kon de stem dit nou van mij vragen? Toch had de stem mij nog nooit in de steek gelaten. Hoe raar Zijn opdrachten soms ook leken, telkens was het goed gekomen. En de keren dat ik niet naar Hem luisterde was het fout gegaan. Ik besloot te gehoorzamen en zette een stap richting het vuur. Nog een stap en nog een. Na een aantal stappen stond ik zo dicht bij het vuur dat ik de hitte voelde. Ik werd bang. Ik ben een mens, ik zou dood gaan als ik dat vuur in liep.

“Doe je ogen dicht,” zei de stem, “en luister naar Mijn stem.” Ik deed mijn ogen dicht en concentreerde mij op de stem. Hij leek te zingen. Ik voelde me wat rustiger en begon weer te lopen. Na een tijdje dacht ik weer aan het vuur. Ik moest er nu toch midden in staan. Toch voelde ik niks. Voorzichtig deed ik mijn ogen open. Ja, ik stond midden in een grote vuurzee. De vlammen likten aan mijn kleren, ze verbrandden, maar ik voelde niks. Geen pijn, geen hitte. Niks. “Kom,” zei de stem weer. Ik liep verder, mijn kleren waren verbrand. En ineens was het vuur verdwenen. Ik stond op een plek die zo ontzettend mooi was dat ik het niet in woorden kan uitdrukken. Voor mij zag ik een duif wegvliegen en in de verte kwam er iemand naar mij toe lopen. Toen Hij dichterbij was herkende ik Hem. Het was de man die mij uit de put geholpen had. Hij sloeg een wit laken om mij heen, omhelsde mij, gaf mij een kus en zei: “Welkom thuis, Mijn geliefde.”

Dit was het laatste deel van mijn serie genaamd de woestijnbestemming.

De opdracht (vervolg op de man)

Ik had een man geholpen om uit een put te klimmen en op aanwijzingen van de stem waren we nu samen in een oase. Nadat de man zich had gewassen, had gedronken en gegeten was hij in slaap gevallen.

Mijn lichaam was ook moe en ik had verwacht dat ik zijn voorbeeld zou volgen, maar de stem begon tegen me te praten. “Als de man op krachten is moet je hem verlaten.” Wat? Ik kon deze man toch niet zomaar aan zijn lot overlaten? “Nee, dat doe ik niet”, zei ik. “Ik kan hem toch niet zomaar aan zijn lot overlaten!” Toen besefte ik Wie mij deze opdracht gaf en vroeg “Waarom?”

“Omdat hij op mij moet leren vertrouwen”, zei de stem. “Zolang jij bij hem bent kan hij mij niet verstaan.” Op dat moment kon ik mijn ogen niet langer openhouden en viel ik in een diepe slaap.

Toen ik wakker werd zag ik de man nergens. Even hoopte ik dat hij er vandoor was gegaan, maar toen ik overeind ging zitten kwam hij net tussen de bomen vandaan. Hij had eten voor ons geplukt. Toen hij bij mij kwam zitten merkte ik dat hij erg moe was. “Ben je al lang wakker?” vroeg ik hem. “Nee”, antwoorde hij, “net. Maar ik heb zolang in die put gezeten dat mijn lichaam wel even nodig zal hebben om weer de oude te worden.” Gelukkig, dacht ik bij mezelf, dan hoef ik hem nog niet alleen te laten. Tijdens het eten vertelde de man over zichzelf. Hij was samen met zijn vrouw meegegaan met een groep mensen die onder begeleiding van een gids een reis door de woestijn maakte. Op een nacht had de man gezien dat zijn vrouw een stukje bij de groep vandaan liep. Hij was achter haar aangelopen en had haar gevraagd wat er aan de hand was. Ze had gezegd dat ze niet kon slapen en dat ze dan vaak liedjes zingt voor God. Om de groep niet wakker te maken was ze een stukje verderop gaan zitten. Verder was er niets aan de hand. Thuis ging ze ook vaak naar beneden als ze niet kon slapen. Dan luisterde ze naar muziek. Ze had de man terug gestuurd naar zijn slaapzak en hem gezegd dat hij moest gaan slapen. Toen hij de volgende morgen wakker werd was ze weg. Niemand wist waar ze was. De groep ging verder maar de man wilde weten waar zijn vrouw was. Hij had bijna de hele dag gewacht op de plek waar ze gezeten had die nacht. Maar ze was niet teruggekomen. Uiteindelijk besloot hij haar te zoeken. Na dagen zoeken was hij in de put terecht gekomen. Toen hij uitgesproken was ging hij liggen en viel hij in slaap. Ik zag een traan over zijn wang lopen. “Deze man kan ik toch niet in de steek laten”, zei ik tegen de stem. “Hij is zijn vrouw kwijtgeraakt hier in de woestijn en heeft dagen in die put gezeten.” “Dat weet ik”, antwoorde de stem, “maar toch moet jij hem verlaten.” “Hij is nog niet op krachten”, zei ik tegen de stem en liep het water in om een stuk te gaan zwemmen.

“Hoe voel je je?” vroeg ik na een paar dagen aan de man. “Een stuk beter”, antwoorde de man. “Het is tijd om te gaan”, zei de stem tegen mij. Ik vond het nog steeds moeilijk om de man alleen te laten, maar ik besloot te doen wat de stem zei. “Ik moet gaan”, zei ik tegen de man. “Laat je mij alleen?” vroeg de man. Ik wist niet wat ik moest zeggen. “Zeg hem dat er iemand anders aan komt die hem zal helpen”, zei de stem tegen mij. “Nee, ik laat je niet alleen”, antwoorde ik de man. “Er komt iemand anders om je te helpen.” “Hoe weet jij dat?” vroeg de man. “Dat heeft God mij verteld”, antwoorde ik. “Ga maar”, zei de man. “Met God wil ik niets te maken hebben. Mijn vrouw was ook zo. Ze hoorde ook dingen van God. Hij had haar verteld dat we deze reis moesten maken en nu is ze weg. Als Hij dat niet gezegd had was ze nu nog bij me.” Ik kon deze man toch niet in de steek laten. Hij zat vol met verdriet en was duidelijk boos op God. “Jij kunt hem niet verder helpen”, zei de stem tegen mij. “Dit moet hij alleen uitzoeken met God.” “Beloof me dat je hier blijft”, zei ik tegen de man. “Echt het komt goed, als je maar hier blijft.” De man keek me aan. “Oke”, zei hij, “ik zal hier blijven. Dat ben ik je wel verschuldigd nu je me uit de put gered hebt.”

God geeft je soms een opdracht die heel moeilijk is. Maar Hij zal je ook de kracht geven om het uit te voeren. En soms lijkt de opdracht misschien heel raar, maar als Hij van God komt, vertrouw er dan op dat Hij het beter weet dan jij.