Het vuur (vervolg op de opdracht)

Ik had een man gered uit een put en onder leiding van de stem naar een oase gebracht. Na een tijd met hem samen in de oase te zijn geweest gaf de stem mij de opdracht om alleen verder te gaan en de man achter te laten. Ik vond het moeilijk om hem alleen achter te laten, maar besloot naar de stem te luisteren en liet de man alleen achter in de oase en ik liep de woestijn weer in.

Na een tijdje zag ik weer een put. De stem vertelde mij er heen te gaan. Ook in deze put zat een persoon. Deze keer wist ik wat ik moest doen en moedigde ik de persoon aan om uit de put te klimmen. Toen ze eruit was bracht ik haar op aanwijzingen van de stem naar een oase. Eerst bleven we samen, maar ook na een aantal dagen gaf de stem mij weer de opdracht om alleen verder te gaan en deze vrouw alleen in de oase achter te laten. Ik vond het nog steeds een raar idee om iemand eerst te helpen en die persoon vervolgens alleen achter te laten in een oase. Maar de stem zei mij telkens dat dat het beste was. Zo liep ik voor mijn gevoel kris kras door de woestijn en kwam ik steeds bij verschillende putten uit waar iemand in zat. Telkens hielp ik de persoon uit de put en leidde de stem mij naar een oase waar ik na een tijdje de persoon uit de put alleen achter liet.

Ook vandaag moest ik weer iemand achter laten. Ik liep een tijdje op aanwijzingen van de stem door de woestijn toen ik plotseling een groot vuur zag. Het was mij niet duidelijk wat er in brand stond maar voor mij was een vuur zo ver als ik kijken kon. Het leek op een bosbrand maar dan in de woestijn. “Kom,” zei de stem. Kom? “Ik ben een mens,” zei ik, “ik kan niet door een vuur gaan lopen, dan verbrand mijn lichaam en ga ik dood.” “Kom,” zei de stem nogmaals. Ik twijfelde hoe kon de stem dit nou van mij vragen? Toch had de stem mij nog nooit in de steek gelaten. Hoe raar Zijn opdrachten soms ook leken, telkens was het goed gekomen. En de keren dat ik niet naar Hem luisterde was het fout gegaan. Ik besloot te gehoorzamen en zette een stap richting het vuur. Nog een stap en nog een. Na een aantal stappen stond ik zo dicht bij het vuur dat ik de hitte voelde. Ik werd bang. Ik ben een mens, ik zou dood gaan als ik dat vuur in liep.

“Doe je ogen dicht,” zei de stem, “en luister naar Mijn stem.” Ik deed mijn ogen dicht en concentreerde mij op de stem. Hij leek te zingen. Ik voelde me wat rustiger en begon weer te lopen. Na een tijdje dacht ik weer aan het vuur. Ik moest er nu toch midden in staan. Toch voelde ik niks. Voorzichtig deed ik mijn ogen open. Ja, ik stond midden in een grote vuurzee. De vlammen likten aan mijn kleren, ze verbrandden, maar ik voelde niks. Geen pijn, geen hitte. Niks. “Kom,” zei de stem weer. Ik liep verder, mijn kleren waren verbrand. En ineens was het vuur verdwenen. Ik stond op een plek die zo ontzettend mooi was dat ik het niet in woorden kan uitdrukken. Voor mij zag ik een duif wegvliegen en in de verte kwam er iemand naar mij toe lopen. Toen Hij dichterbij was herkende ik Hem. Het was de man die mij uit de put geholpen had. Hij sloeg een wit laken om mij heen, omhelsde mij, gaf mij een kus en zei: “Welkom thuis, Mijn geliefde.”

Dit was het laatste deel van mijn serie genaamd de woestijnbestemming.

De opdracht (vervolg op de man)

Ik had een man geholpen om uit een put te klimmen en op aanwijzingen van de stem waren we nu samen in een oase. Nadat de man zich had gewassen, had gedronken en gegeten was hij in slaap gevallen.

Mijn lichaam was ook moe en ik had verwacht dat ik zijn voorbeeld zou volgen, maar de stem begon tegen me te praten. “Als de man op krachten is moet je hem verlaten.” Wat? Ik kon deze man toch niet zomaar aan zijn lot overlaten? “Nee, dat doe ik niet”, zei ik. “Ik kan hem toch niet zomaar aan zijn lot overlaten!” Toen besefte ik Wie mij deze opdracht gaf en vroeg “Waarom?”

“Omdat hij op mij moet leren vertrouwen”, zei de stem. “Zolang jij bij hem bent kan hij mij niet verstaan.” Op dat moment kon ik mijn ogen niet langer openhouden en viel ik in een diepe slaap.

Toen ik wakker werd zag ik de man nergens. Even hoopte ik dat hij er vandoor was gegaan, maar toen ik overeind ging zitten kwam hij net tussen de bomen vandaan. Hij had eten voor ons geplukt. Toen hij bij mij kwam zitten merkte ik dat hij erg moe was. “Ben je al lang wakker?” vroeg ik hem. “Nee”, antwoorde hij, “net. Maar ik heb zolang in die put gezeten dat mijn lichaam wel even nodig zal hebben om weer de oude te worden.” Gelukkig, dacht ik bij mezelf, dan hoef ik hem nog niet alleen te laten. Tijdens het eten vertelde de man over zichzelf. Hij was samen met zijn vrouw meegegaan met een groep mensen die onder begeleiding van een gids een reis door de woestijn maakte. Op een nacht had de man gezien dat zijn vrouw een stukje bij de groep vandaan liep. Hij was achter haar aangelopen en had haar gevraagd wat er aan de hand was. Ze had gezegd dat ze niet kon slapen en dat ze dan vaak liedjes zingt voor God. Om de groep niet wakker te maken was ze een stukje verderop gaan zitten. Verder was er niets aan de hand. Thuis ging ze ook vaak naar beneden als ze niet kon slapen. Dan luisterde ze naar muziek. Ze had de man terug gestuurd naar zijn slaapzak en hem gezegd dat hij moest gaan slapen. Toen hij de volgende morgen wakker werd was ze weg. Niemand wist waar ze was. De groep ging verder maar de man wilde weten waar zijn vrouw was. Hij had bijna de hele dag gewacht op de plek waar ze gezeten had die nacht. Maar ze was niet teruggekomen. Uiteindelijk besloot hij haar te zoeken. Na dagen zoeken was hij in de put terecht gekomen. Toen hij uitgesproken was ging hij liggen en viel hij in slaap. Ik zag een traan over zijn wang lopen. “Deze man kan ik toch niet in de steek laten”, zei ik tegen de stem. “Hij is zijn vrouw kwijtgeraakt hier in de woestijn en heeft dagen in die put gezeten.” “Dat weet ik”, antwoorde de stem, “maar toch moet jij hem verlaten.” “Hij is nog niet op krachten”, zei ik tegen de stem en liep het water in om een stuk te gaan zwemmen.

“Hoe voel je je?” vroeg ik na een paar dagen aan de man. “Een stuk beter”, antwoorde de man. “Het is tijd om te gaan”, zei de stem tegen mij. Ik vond het nog steeds moeilijk om de man alleen te laten, maar ik besloot te doen wat de stem zei. “Ik moet gaan”, zei ik tegen de man. “Laat je mij alleen?” vroeg de man. Ik wist niet wat ik moest zeggen. “Zeg hem dat er iemand anders aan komt die hem zal helpen”, zei de stem tegen mij. “Nee, ik laat je niet alleen”, antwoorde ik de man. “Er komt iemand anders om je te helpen.” “Hoe weet jij dat?” vroeg de man. “Dat heeft God mij verteld”, antwoorde ik. “Ga maar”, zei de man. “Met God wil ik niets te maken hebben. Mijn vrouw was ook zo. Ze hoorde ook dingen van God. Hij had haar verteld dat we deze reis moesten maken en nu is ze weg. Als Hij dat niet gezegd had was ze nu nog bij me.” Ik kon deze man toch niet in de steek laten. Hij zat vol met verdriet en was duidelijk boos op God. “Jij kunt hem niet verder helpen”, zei de stem tegen mij. “Dit moet hij alleen uitzoeken met God.” “Beloof me dat je hier blijft”, zei ik tegen de man. “Echt het komt goed, als je maar hier blijft.” De man keek me aan. “Oke”, zei hij, “ik zal hier blijven. Dat ben ik je wel verschuldigd nu je me uit de put gered hebt.”

God geeft je soms een opdracht die heel moeilijk is. Maar Hij zal je ook de kracht geven om het uit te voeren. En soms lijkt de opdracht misschien heel raar, maar als Hij van God komt, vertrouw er dan op dat Hij het beter weet dan jij.

De man (vervolg op de gids)

Ondanks de waarschuwingen van de stem, was ik toch met een groep mensen meegelopen. Toen we vlakbij een oase waren kwam er een zandstorm en rende de groep naar de oase toe. Ik kon niet meekomen omdat ik niet lekker was. De hele groep en ook de gids hadden mij in de steek gelaten. Ik had verwacht helemaal alleen te zijn, maar kwam er achter dat de stem nog steeds bij mij was. Hij zei dat Hij me nooit in de steek zou laten, zelfs al luisterde ik niet naar Hem.

Ik was moe, had honger en dorst en voelde me verdrietig. “Kom mee”, zei de stem. Hij wees me een andere kant op dan die groep was opgerend. “Maar de oase was toch die kant op?” vroeg ik. Ik kon nog steeds het groen van de oase zien. “Kom mee”, zei de stem nogmaals. De vorige keer dat ik niet naar Hem luisterde had mij niet veel opgeleverd, dus ik besloot de kant op te gaan die de stem me wees. Al gauw zag ik in de verte weer iets groens verschijnen. Ik hoopte dat dat een oase zou zijn en ik daar mijn dorst kon lessen en mijn honger kon stillen. We liepen een heel eind die kant op, maar plotseling zei de stem: “Stop”. Ik wilde niet stoppen. Ik kon de bomen zien en het water bijna ruiken. Toch bleef ik stil staan. “Luister eens”, zei de stem. Ik luisterde. “Ik hoor niks”, zei ik. “Luister goed”, zei de stem. “Doe je ogen dicht en concentreer je.” Ik gehoorzaamde en hoorde een hele zachte stem om hulp roepen. “Waar komt dat vandaan?” vroeg ik mezelf hardop af. “Ik kan je er heen brengen”, zei de stem. “Welke kant moeten we dan op”, vroeg ik. Ik hoopte dat het uit de oase zou komen, maar iets in mij zei me dat we waarschijnlijk een andere kant op zou moeten. En ja hoor de stem gaf aan dat we dan naar links moesten. Was ik eindelijk vlakbij een oase en nu dit.

Ik sloot mijn ogen en hoorde nog een keer iemand om hulp roepen. “Oke”, zei ik, “breng me er maar heen.” En dus liep ik op aanwijzingen van de stem bij de oase vandaan. Al snel zag ik in de verte iets verschijnen dat leek op een put. Bij de put gekomen keek ik erin. Op de bodem zat iemand. Helemaal bedekt met stof en zand. “Hallo”, riep ik. De persoon in de put keek omhoog. Hij leek blij mij te zien. “Help me”, zei hij. Ik dacht na. Hoe ging ik hem uit de put krijgen. Het was te diep en mijn lichaam was te uitgeput om hem eruit te trekken. Bovendien had ik geen touw. “Jij hebt ook in zo’n put gezeten”, zei de stem. Inderdaad dacht ik. “Maar toen was Jezus er om mij er uit te halen”, antwoorde ik. “Maar hoe deed hij dat?”, vroeg de stem. Ik dacht na. Ik was zelf omhoog geklommen. Dat was niet makkelijk, maar Jezus was de hele tijd bij me gebleven om me aan te moedigen. “Ik kan je er niet uit tillen”, zei ik tegen de persoon, “je moet er zelf uitklimmen. Ik blijf hier staan om je aan te moedigen.” Ik had verwacht dat de persoon niet zou luisteren, maar hij begon toch met klimmen. “Goed zo, je kunt het”, moedigde ik hem aan. Hij klom door en ik keek naar hem. Ik zag dat hij er moeite mee had, maar toch gaf hij niet op. Ik vergat mijn honger en mijn dorst. Het enige wat ik wilde was zorgen dat deze persoon uit de put zou komen. Ik bleef hem aanmoedigen en hij klom door.

Uiteindelijk bereikte hij de rand. Ik trok hem er uit en samen gooiden we de put dicht. Nu hij uit de put was kon ik zien dat het een man was. Hij vroeg of ik water voor hem had. Toen zei de stem tegen mij: “Kom dan wijs Ik je de weg.” “Volg mij”, zei ik tegen de man. Op aanwijzingen van de stem liep ik door de woestijn. De man liep achter mij aan. Al snel kwamen we bij een oase. De man rende het water in om zich te wassen en te drinken. Ik plukte wat vruchten van de bomen en dronk ook water. Na een tijdje kwam de man bij mij zitten en at van de vruchten die ik geplukt had. Toen hij genoeg gegeten had, viel hij in slaap.

Gaat jouw leven de goede kant op? Maar lijkt God je een andere kant op te sturen? Vertrouw Hem. Wie weet wat voor moois je er voor terug krijgt.